overgankelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·gan·ke·lijk
stellend
onverbogen overgankelijk
verbogen overgankelijke

Bijvoeglijk naamwoord

overgankelijk

  1. (grammatica) van een werkwoord een lijdend voorwerp bezittend waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
    Het bedrijvende werkwoord drukt eenig bedrijf uit, welk van het werkende wezen tot een ander overgaat, alwaarom dit werkwoord meermalen overgankelijk (transitive) genoemd wordt.[1]
  2. (grammatica) van een werkwoord een lijdend voorwerp bezittend dat in de lijdende vorm overgaat in een onderwerp
Opmerkingen
  • De eerste definitie is de oorspronkelijke, maar er wordt meestal -vaak stilzwijgend- aangenomen dat de eerste definitie de tweede impliceert. In het Nederlands is dat meestal ook wel het geval, behoudens bij een klein groepje werkwoorden zoals aanhebben of aankunnen die wel een voorwerp dragen maar geen lijdende vorm bezitten.
Verwijzingen
  1. Rudimenta der Engelsche tale, of Beknopte inleiding in de Engelsche spraakkunst Nicolas Wanostrocht, Gerbrand Bruining 1807