overbrengen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| overbrengen | overbrengend |
| overbrenging | overgebracht |
Woordafbreking
- over·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overbrengen |
bracht over |
overgebracht |
| zwak -cht | volledig | |
Werkwoord
overbrengen
- (overgankelijk) van de ene locatie naar de andere brengen
- Een aantal gewonden werden naar een ander hospitaal overgebracht.