order

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord order orders
verkleinwoord ordertje ordertjes

Zelfstandig naamwoord

order v/m/o

  1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
    Hij had een order geplaatst voor een nieuwe wasmachine.
  2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
    Hij kreeg orders van zijn baas om de zaak verder met rust te laten.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·der
enkelvoud meervoud
order orders

Zelfstandig naamwoord

order

  1. volgorde
  2. orde
  3. bevel, order
  4. bestelling, order
vervoeging
onbepaalde wijs to order
he/she/it orders
verleden tijd ordered
voltooid
deelwoord
ordered
onvoltooid
deelwoord
ordering
gebiedende wijs order

Werkwoord

order

  1. bestellen
  2. bevelen



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de Zweedse zelfstandige naamwoorden morgon en bön
Naar frequentie 644
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   order     ordern     order     orderna  
genitief   orders     orderns     orders     ordernas  

Zelfstandig naamwoord

order, g

  1. bestelling, order
  2. bevel
  3. (militair) bevel
Synoniemen
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

order

  1. nominatief onbepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van order