opwinden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| opwinden | opwindend |
| opwinding | opgewonden |
Uitspraak
Woordafbreking
- op·win·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opwinden |
wond op |
opgewonden |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
opwinden
- (overgankelijk) rond een as of klos wikkelen
- Zij wond de draad op rond een klosje.
- (overgankelijk) draaiend onder spanning zetten
- Zij wond de oude wekker op, maar de veer begaf het.
- (overgankelijk) in staat van agitatie brengen
- Die onbeschofte opmerking wond hem vreselijk op.
- (wederkerend) zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
- Hij had zich daarover veel te veel opgewonden.
Antoniemen
- [2] aflopen