opwinden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opwinden opwindend
opwinding opgewonden
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·win·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van winden met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwinden
wond op
opgewonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

opwinden

  1. (overgankelijk) rond een as of klos wikkelen
    Zij wond de draad op rond een klosje.
  2. (overgankelijk) draaiend onder spanning zetten
    Zij wond de oude wekker op, maar de veer begaf het.
  3. (overgankelijk) in staat van agitatie brengen
    Die onbeschofte opmerking wond hem vreselijk op.
  4. (wederkerend) zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
    Hij had zich daarover veel te veel opgewonden.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen