opvatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opvatten
opvatting
Woordafbreking
  • op·vat·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvatten
vatte op
opgevat
zwak -t volledig

Werkwoord

opvatten

  1. (overgankelijk) ~ als een bepaalde interpretatie aan iets geven
    Hij heeft dat opgevat als een ernstige belediging.
  2. (overgankelijk) opnemen van met name werk
    Na een week vorstverlet werd het werk weer opgevat.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen