opspringen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·sprin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opspringen
sprong op
opgesprongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

opspringen

  1. in de hoogte springen
    Hij sprong op van vreugde toen hij hoorde dat hij de lottoprijs van 14 miljoen euro gewonnen had.
Vertalingen