oprollen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rol·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van rollen met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oprollen
rolde op
opgerold
zwak -d volledig

Werkwoord

oprollen

  1. (wederkerend) zich ~, tot een rol vormen
    Hij rolde zich in een hoekje lekker op.
  2. (overgankelijk) ergens een rol van maken
    Hij rolde de slaapzak op.
    Dat hij het touw óprolde is nooit het probleem geweest.
  3. (overgankelijk) een (semi-)georganiseerde groep arresteren
    Er is vandaag een compleet mensensmokkelaarsnetwerk opgerold.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3] Een bende oprollen.
Vertalingen