oproept

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roept

Werkwoord

vervoeging van
oproepen

oproept

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproepen
    ... dat jij oproept.
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproepen
    ... dat hij oproept.