oproepen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| oproepen | oproepend |
| oproep | opgeroepen |
Uitspraak
Woordafbreking
- op·roe·pen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| oproepen /'ɔpru.pə(n)/ |
riep op /rip 'ɔp/ |
opgeroepen /'ɔp.xə.ru.pə(n)/ |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
oproepen
- (overgankelijk) doen verschijnen
- De regering riep alle weerbare mannen op voor de verdediging van het land.
- (overgankelijk) (gevoelens) veroorzaken
Vertalingen
2. (gevoelens) veroorzaken
Zelfstandig naamwoord
oproepen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oproep