oproep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oproep oproepen
verkleinwoord oproepje oproepjes

Zelfstandig naamwoord

oproep m

  1. een dringende vraag om iets te doen
    Als de ambulancedienst een oproep krijgt, moet zij snel reageren.

Werkwoord

vervoeging van
oproepen

oproep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproepen
    ... dat ik oproep.

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen