oprisping
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- op·ris·ping
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oprisping | oprispingen |
| verkleinwoord | oprispinkje | oprispinkjes |
Zelfstandig naamwoord
oprisping v
- het weer naar boven komen van iets dat ingeslikt was
- Doe Anneke haar slabbetje even om, er komt vast weer een oprisping!
- overdrachtelijk een onverwachte en onbedoelde uitspraak
- Met die oprisping zette hij veel kwaad bloed.
Vertalingen
1. het weer naar boven komen van iets dat ingeslikt was