oprijzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rij·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oprijzen
rees op
opgerezen
klasse 1 volledig

Werkwoord

oprijzen

  1. (ergatief) in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen
    De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol. [1]
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Plotseling!