oppassen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·pas·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| oppassen |
paste op |
opgepast |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
oppassen
- opletten dat er niet iets ergs gebeurt
- Op die richel moet je goed oppassen, zodat dat je niet valt.
- bij de kinderen blijven en op ze letten
- Vanavond moet ik oppassen, maar morgen kan ik wel.