oppassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·pas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oppassen
paste op
opgepast
zwak -t volledig

Werkwoord

oppassen

  1. opletten dat er niet iets ergs gebeurt
    Op die richel moet je goed oppassen, zodat dat je niet valt.
  2. bij de kinderen blijven en op ze letten
    Vanavond moet ik oppassen, maar morgen kan ik wel.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen