opmerken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·mer·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van merken met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opmerken
merkte op
opgemerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

opmerken

  1. (overgankelijk) bemerken, waarnemen
    De inbreker werd opgemerkt door een toevallige voorbijganger.
  2. (overgankelijk) een waarneming of opinie meedelen aan anderen, met een zekere nadruk
    Een voorbijganger merkte op dat de dop nog op de lens zat.
Afgeleide begrippen
Vertalingen