opmerken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·mer·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opmerken |
merkte op |
opgemerkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
opmerken
- (overgankelijk) bemerken, waarnemen
- De inbreker werd opgemerkt door een toevallige voorbijganger.
- (overgankelijk) een waarneming of opinie meedelen aan anderen, met een zekere nadruk
- Een voorbijganger merkte op dat de dop nog op de lens zat.
Afgeleide begrippen
- [2] opmerking
Vertalingen
1. bemerken, waarnemen