oplichting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lich·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oplichting -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

oplichting v

  1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
    Hij was betrokken in vele zaken met betrekking tot oplichting, dus dat is niet iemand waar je zaken mee wilt doen.
Vertalingen