oplader

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·la·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oplader opladers
verkleinwoord opladertje opladertjes

Zelfstandig naamwoord

oplader m

  1. Batterijlader. Apparaat om een batterij of accu weer van stroom te voorzien.
    Een smartphone moet iedere nacht aan de oplader.

Meer informatie