openmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- open·ma·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| openmaken |
maakte open |
opengemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
openmaken
- (overgankelijk) de sluiting van iets verbreken
- Hij had de deur al opengemaakt.