openbaren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| openbaren | openbarend |
| openbaring | geopenbaard |
Uitspraak
Woordafbreking
- open·ba·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| openbaren |
openbaarde |
geopenbaard |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
openbaren
- wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
- De directie openbaarde een ingrijpend reoganisatieplan.