opduiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·dui·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opduiken
dook op
opgedoken
klasse 2 volledig

Werkwoord

opduiken

  1. (ergatief) weer aan het oppervlak zichtbaar worden na ondergedoken geweest te zijn
    De pinguïn dook weer op met een visje in zijn bek.
  2. (overgankelijk) door duiken iets uit de diepte naar boven halen
    Zij doken een Griekse amfoor op tijdens hun vakantie aan de Egeïsche kust.