opdonderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opdonderen opdonderend
Woordafbreking
  • op·don·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdonderen
donderde op
opgedonderd
zwak -d volledig

Werkwoord

opdonderen

  1. (ergatief) heel snel weggaan
    Wil je wel eens snel van mijn erf opdonderen!
Synoniemen