opdoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·doen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdoen
deed op
opgedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

opdoen

  1. (overgankelijk) op de huid aanbrengen
    Ze moest haar make-up nog opdoen voordat ze naar buiten ging.
  2. (overgankelijk) verkrijgen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ervaring opdoen
Vertalingen