opdelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·de·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdelen
deelde op
opgedeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

opdelen

  1. (overgankelijk) ~ in geheel in stukken verdelen
    Aan het eind van de 18e eeuw werd Polen opgedeeld tussen zijn buren.