onzeker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ze·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zeker met het voorvoegsel on-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onzeker onzekerder onzekerst
verbogen onzekere onzekerdere onzekerste
partitief onzekers onzekerders -

Bijvoeglijk naamwoord

onzeker

  1. waarvan de afloop niet vaststaat
    Door de acties van de Europese Centrale Bank is de financiële wereld een stuk minder onzeker geworden.