ontwijken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·wij·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontwijken |
ontweek |
ontweken |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
ontwijken
- (ergatief) ontsnappen uit een insluiting
- Er is veel lucht uit de band ontweken.
- (overgankelijk) trachten contact te vermijden
- Hij had hem enige tijd weten te ontwijken, maar liep nu tegen de lamp.