onttrok
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ont·trok
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| onttrekken |
onttrok
- enkelvoud verleden tijd van onttrekken
- Ik onttrok.
- Jij onttrok.
- Hij, zij, het onttrok.
- Ik onttrok.
| vervoeging van |
|---|
| onttrekken |
onttrok