ontspruiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sprui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontspruiten
ontsproot
ontsproten
klasse 2 volledig

Werkwoord

ontspruiten

  1. (ergatief) een nieuwe loot vormen aan een plant of uit een zaad.
    Een bruine boon ontspruit als je deze een tijdje op een vochtig sponsje in het donker legt.
Vertalingen