ontsproot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sproot

Werkwoord

vervoeging van
ontspruiten

ontsproot

  1. enkelvoud verleden tijd van ontspruiten
    Ik ontsproot.
    Jij ontsproot.
    Hij, zij, het ontsproot.