ontsnappen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- ont·snap·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontsnappen |
ontsnapte |
ontsnapt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
ontsnappen
- aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen.
- Zij ontsnapten tenauwernood aan de neerstormende lawine.