onthullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hul·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onthullen
onthulde
onthuld
zwak -d volledig

Werkwoord

onthullen

  1. (overgankelijk) van het hulsel ontdoen bij plechtige gelegenheden
    Het ontwerp van de nieuwe voetbalbeker werd afgelopen week officieel onthuld.
  2. (overgankelijk) openbaren van onbekende feiten
    Hij had het niet graag wanneer er dingen over zijn verleden werden onthuld waar hij niet trots op was.
Vertalingen