onthoofden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hoof·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onthoofden
onthoofdde
onthoofd
zwak -d volledig

Werkwoord

onthoofden

  1. (overgankelijk) iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
    Het doodsvonnis werd uitgesproken en de scherprechter onthoofdde de veroordeelde.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen