onthoofden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·hoof·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| onthoofden |
onthoofdde |
onthoofd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
onthoofden
- (overgankelijk) iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
- Het doodsvonnis werd uitgesproken en de scherprechter onthoofdde de veroordeelde.