ontgoochelen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·goo·che·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontgoochelen
ontgoochelde
ontgoocheld
zwak -d volledig

Werkwoord

ontgoochelen

  1. overgankelijk van een illusie beroven
    • Hij was erg ontgoocheld toen bleek dat zij een ander had. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be