onschuld
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·schuld
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | onschuld | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- de staat dat iemand geen kwaad gedaan heeft
- Hij was de hele tijd zijn handen in onschuld aan het wassen.
- argeloosheid.
- Wat een kinderlijke onschuld, zeg!