onophoudelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·op·hou·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onophoudelijk
verbogen onophoudelijke

Bijvoeglijk naamwoord

onophoudelijk

  1. zonder stoppen
    Haar onophoudelijke zeuren bracht iedereen tot wanhoop.

Bijwoord

onophoudelijk

  1. zonder te stoppen, als maar doorgaand
    Het bleef, naar ons gevoel, de hele zomer onophoudelijk door regenen.