onontbeerlijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·ont·beer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van ontbeerlijk met het voorvoegsel on-, naamwoord van handeling van ontberen met het achtervoegsel -lijk
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | onontbeerlijk |
| verbogen | onontbeerlijke |
Bijvoeglijk naamwoord
onontbeerlijk
- volstrekt noodzakelijk
- In het noorden van Siberië is kleding van bont vervaardigd onontbeerlijk.
Vertalingen
1.