onnozel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·no·zel
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | onnozel | onnozeler | onnozelst |
| verbogen | onnozele | onnozelere | onnozelste |
Bijvoeglijk naamwoord
onnozel
- (verouderd) onschuldig
- Het feest van de Onnozele Kinderen wordt op 28 december gevierd.
- dom, naïef
- niet ernstig
- (van een ding) onbeduidend, onbelangrijk
- Heel die ruzie was om een onnozele paraplu?