onhandig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·han·dig
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | onhandig | onhandiger | onhandigst |
| verbogen | onhandige | onhandigere | onhandigste |
Bijvoeglijk naamwoord
onhandig
- niet goed met de handen om kunnen gaan
- De onhandige man had al drie spijkers krom geslagen.
- niet gemakkelijk om mee om te gaan
- Wat een onhandig trucje is dat, zeg!