ongeluk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·ge·luk
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ongeluk | ongelukken |
| verkleinwoord | ongelukje | ongelukjes |
Zelfstandig naamwoord
ongeluk o
- een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
- Het ongeluk op dit kruispunt eiste drie doden.
- onaangename toestand
- «Hij is voor het ongeluk geboren.»
- Hij heeft altijd pech.
- «Hij is voor het ongeluk geboren.»
- zonder dat het de bedoeling was; onopzettelijk
- Per ongeluk een glas laten vallen.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
ongeluk
|
|
Spreekwoorden
[2] Een ongeluk komt zelden alleen.
- Als er eenmaal iets misgaat, gaat er meer mis.
Uitdrukkingen en gezegden
[1] Een ernstig ongeluk.
- Een groot ongeluk.
[1] Een ongeluk hebben.
- Een persoon is aangereden, maar leeft nog.
[3] Per ongeluk.
- Niet bewust gewild.
Vertalingen
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ongeluk |
Zelfstandig naamwoord
ongeluk