ondeugd
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·deugd
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ondeugd | ondeugden |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
ondeugd
- slechte gewoonte of handeling
- Een gat in de hand is een ondeugd waar velen mee worstelen.
- iemand -vaak een jonge persoon- die kattekwaad uithaalt
- Die ondeugd heeft het wachtwoord van m'n PC gewijzigd!
Antoniemen
- 1 deugd