onderhandelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| onderhandelen | onderhandelend |
| onderhandeling | onderhandeld |
Woordafbreking
- on·der·han·de·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| onderhandelen |
onderhandelde |
onderhandeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
onderhandelen
- (inergatief) overleggen om tot een afspraak te komen
- De twee boeren waren aan het onderhandelen over de prijs van het kalf.