ondergoed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɔn.dər.ˌχut/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈɔn.dər.ˌɣut/
- (Limburg): /ˈɔn.dər.ˌɣud/
Woordafbreking
- on·der·goed
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ondergoed | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
ondergoed o
- kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
- Hij stond zich in zijn ondergoed af te vragen welk pak hij vandaag aan moest trekken.
- (landbouw) de bladeren van de tabaksplant vlak boven de grond of net daarboven, die een tabak van mindere kwaliteit opleveren
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding