omzoomden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·zoom·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
omzóómden
- meervoud verleden tijd van omzomen
- Wij omzóómden.
- Jullie omzóómden.
- Zij omzóómden.
- Wij omzóómden.
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
ómzoomden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van omzomen
- ...dat wij ómzoomden.
- ...dat jullie ómzoomden.
- ...dat zij ómzoomden.
- ...dat wij ómzoomden.