omzoom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·zoom
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
omzóóm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omzomen
- Ik omzóóm.
- gebiedende wijs van omzomen
- Omzóóm!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omzomen
- Omzóóm je?
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
ómzoom
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omzomen
- ... dat ik ómzoom.