omzomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·zo·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzomen
omzoomde
omzoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

omzómen

  1. (overgankelijk) iets omgeven als ware het een zoom
    Prachtige bomen omzoomden het fraaie grasveld.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzomen
zoomde om
omgezoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

ómzomen

  1. (kleding) van een andere zoom voorzien