omzette
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- om·zet·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| omzetten |
omzette
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van omzetten
- ... dat ik omzette.
- ... dat jij omzette.
- ... dat hij, zij, het omzette.
- ... dat ik omzette.
| vervoeging van |
|---|
| omzetten |
omzette
- (in een bijzin) enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs van omzetten
- ... dat men omzette.