omtrek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·trek
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | omtrek | |
| verkleinwoord |
- (wiskunde) de lengte van een gesloten kromme.
- De omtrek van een cirkel bedraagt 2π maal de straal.
- grenslijn
- omvang van een lichaam.
- het gebied rondom een bepaalde plaats.
- Dat is in de wijde omtrek niet te vinden.
Vertalingen
1. wiskundig