omkleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·kle·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkleden
kleedde om
omgekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

ómkleden

  1. (wederkerend) zich ~ andere kleren aandoen.
    Hij heeft zich snel moeten omkleden.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkleden
omkleedde
omkleed
zwak -d volledig

Werkwoord

omkléden

  1. (overgankelijk) met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie.
    Hij omkleedde zijn verzoek met geldige redenen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen