omkleden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·kle·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omkleden |
kleedde om |
omgekleed |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ómkleden
- (wederkerend) zich ~ andere kleren aandoen.
- Hij heeft zich snel moeten omkleden.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omkleden |
omkleedde |
omkleed |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
omkléden
- (overgankelijk) met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie.
- Hij omkleedde zijn verzoek met geldige redenen.