offer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- of·fer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | offer | offers |
| verkleinwoord | offertje | offertjes |
Zelfstandig naamwoord
offer o
- een gave aan een godheid
- Op die dag werden offers gedaan.
- alles wat men met zelfverloochening afstaat
- Hij moest wat offers brengen, maar hij heeft het gehaald.
- een zet waarmee men bewust een damschijf of schaakstuk laat slaan om een gunstigere positie op het bord te krijgen
- Zij bracht een offer en kwam daardoor in een betere positie.
Vertalingen
1. een gave aan een godheid
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| offeren |
offer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
- Ik offer.
- gebiedende wijs van offeren
- Offer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
- Offer je?
Engels
Uitspraak
- Geluid: offer (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɑːfɚ/
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to offer |
| he/she/it | offers |
| verleden tijd | offered |
| voltooid deelwoord |
offered |
| onvoltooid deelwoord |
offering |
| gebiedende wijs | offer |
Werkwoord
offer
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| offer | offers |
Zelfstandig naamwoord
offer