offer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • of·fer
enkelvoud meervoud
naamwoord offer offers
verkleinwoord offertje offertjes

Zelfstandig naamwoord

offer o

  1. een gave aan een godheid
    Op die dag werden offers gedaan.
  2. alles wat men met zelfverloochening afstaat
    Hij moest wat offers brengen, maar hij heeft het gehaald.
  3. een zet waarmee men bewust een damschijf of schaakstuk laat slaan om een gunstigere positie op het bord te krijgen
    Zij bracht een offer en kwam daardoor in een betere positie.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
offeren

offer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
    Ik offer.
  2. gebiedende wijs van offeren
    Offer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
    Offer je?


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to offer
he/she/it offers
verleden tijd offered
voltooid
deelwoord
offered
onvoltooid
deelwoord
offering
gebiedende wijs offer

Werkwoord

offer

  1. aanbieden, bieden.
enkelvoud meervoud
offer offers

Zelfstandig naamwoord

offer

  1. offerte
  2. aanbod