observeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ob·ser·ve·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| observeren |
observeerde |
geobserveerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
observeren
- (overgankelijk) gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
- Zij observeerden dat deze bacterie in staat is de voor het biologisch functioneren dusver onontbeerlijk geachte fosfor te vervangen door arseen.