objectief
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ob·jec·tief
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | objectief | objectieven |
| verkleinwoord | objectiefje | objectiefjes |
Zelfstandig naamwoord
objectief o
- (optica) de lens (of het lenzenstelsel) van een optisch instrument (bijvoorbeeld een microscoop of verrekijker) die zich het dichtst bij het te bekijken voorwerp ('object') bevindt
- Een camera met een verwisselbare objectieven.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. lens
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | objectief | objectiever | objectiefst |
| verbogen | objectieve | objectievere | objectiefste |
Bijvoeglijk naamwoord
objectief
- waarneembaar.
- niet beïnvloed door persoonlijke meningen, belangen of ideeën
- De commissie bracht een objectief verslag over het gebeurde uit.
Antoniemen
- [2] partijdig, subjectief
Vertalingen
1. waarneembaar
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| objectief | objectiever | het objectiefst |
Bijwoord
objectief
- op een onpartijdige, neutrale wijze; zich aan de feiten houdend
- De commissie heeft het geval objectief onderzocht.
1. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal