nonkel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- non·kel
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Franse oncle met metanalyse: de eind-n van den onkel, mijn onkel of mon oncle werd mettertijd beschouwd als een onderdeel van het tweede woord.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nonkel | nonkels |
| verkleinwoord | nonkeltje | nonkeltjes |
Zelfstandig naamwoord
nonkel m
- (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
- Mijn nonkel komt steevast naar onze familiefeestjes.
Synoniemen
- (Noordnederlands) oom
Vertalingen
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.